Vroeger, toen ik nog als poepchinees door het leven ging, was alles heel eenvoudig. Het was overduidelijk wie ik was. In de straten van ons dorp kreeg ik een dagelijkse levensles in vaderlandse geschiedenis naar mijn hoofd geslingerd: plopper, liplap, treinkaper. Een klein zwartharig meisje dat nogal bruin werd in de zon, tussen lange blondines wier huid rood verbrandde.
De scheldwoorden op zich deden mij inhoudelijk geen pijn, ik liet het gedrag van de schoolkinderen soms welhaast genoegelijk op mij inwerken met een soort van intuïtie dat karma het ooit wel zou rechttrekken. Dat was niet een soort masochisme, het getreiter werkte eerder als mest voor mijn ontluikende identiteitsgevoel dat nog alle kanten uitkon. Heimelijk had ik medelijden met hen, omdat de zon hun huid zo mishandelde, iets waarvan ik gevrijwaard was.

De beschimpingen bevestigden misschien wel wie ik was, of liever, zou moeten zijn vanwege mijn afkomst: een inda-pinda-poepchinees. Nee, niet dat ik uit China kom. Aanvankelijk bekeek ik mij in de spiegel om te ontdekken wat er behalve de lichte afwijking in huidtint en het verschil in haarkleur nog meer zo speciaal was. Spleetogen had ik niet. “Ach nee”, zei mijn moeder, “jij bent helemaal niet kesipit.” Daar moest ik mij volgens de Indische schoonheidsnormen gelukkig mee prijzen. Maar voor mijn leeftijdsgenoten in het dorp telde dat niet. Terwijl zij mij regelmatig in grote groepen uitjouwden en afranselden, scherpte ik op advies van mijn moeder mijn vaardigheid in Oost-Indische doofheid. Gehurkt en teruggetrokken als een schildpad observeerde ik vanuit mijn Asian squat  het in mijn ogen stomme geren en gegil van de langbenige hinden tegen wie ik het nooit zou opnemen qua snelheid, maar die het nakijken hadden als ik in een boom klom. Eens waren ze bij mij komen slijmen toen een vlieger ergens torenhoog was blijven hangen. Mijn rappe klimpartij had mij enig respect opgeleverd bij de meisjes, maar voor de jongens –  jaloers? – was het nu duidelijk: ik was een indo-aap.

Van mijn moeder en de (nota bene Indische) meester mocht ik mij er niets van aantrekken:  jongens pesten meisjes als ze van ze houden. En die meisjes dan? Doen alsof het niet gebeurt, dan houdt het vanzelf op: “Schelden doet geen pijn.” Dus ook niet als er tientallen kinderen mij uitjoelden, mij duwden en stompten, terwijl ik steeds verder ineen dook om mijn gezicht te beschermen, niets te horen of te zien, en er later over te moeten zwijgen. Totdat ik op een dag een vinger tussen mijn ribben voelde priemen, waarvan de eigenaar riep: ‘Molukker!’ Geen flauw idee hebbende wat dat was, sprong ik als een wilde kat op en vloog de jongen letterlijk in de haren. Het was Frankie, een roodharige snuiter die extra stevig kon vechten omdat hem zelf vanwege zijn haarkleur het leven zuur gemaakt werd. Een vriendje van hem kwam helpen, ging op mij zitten, sloeg mijn neus en bril kapot en bleef slaan tot de juf van een andere klas hem wegtrok.  Later kwam Frankies moeder nog klagen met de pluk haar in haar hand die ik van zijn hoofd losgetrokken had. Arme jongen. Hij stond erbij alsof hij door een tijger was aangevallen. En dat was misschien ook wel zo.

Thuisgekomen riep ik terwijl de voordeur nog dicht was woedend: “Mamaaaa wat is een Molukker!?” “Die komen uit de Oost, net als wij.” ´Ben ik er dan ook één?, vroeg ik geïrriteerd over het eventuele feit dat een snotaap van de vlakke klei meer kon weten dan ik over het verre land van mijn familie. Ik moest dan wel even weten hoe dat zat. Maar nee, ik was geen Molukker. Ik leek er niet eens op, behalve mijn haar dan misschien een beetje, zwart en dik. Molukkers waren ‘zwart’ en treinkapers bovendien. Maar hoe zwart konden ze dan wel zijn? Mijn eigen meest geroepen bijnaam op straat was al ‘zwartje’. Als ik in de spiegel naar twee groene ogen keek, in een ietwat getint gezicht, zag ik behalve mijn haar niet veel zwarts. Volgens mij zou ik in het dorp niet eens opvallen als ik ook blond haar had. Dat idee maakte mij onmetelijk nieuwsgierig.

Op mijn vijftiende was het zover. Ik mocht iets, wat mijn reeds nagellakkende en lippenstiftende blonde dorpsgenootjes niet hoefden te wagen van hun moeder. Mijn haar verven! Drie uren bracht ik door bij de dorpskapster, die met moeite mijn stugge donkere dos in de gewenste kleur wist te bleken. “Ooooooooh, wat mooi!”  Iedereen was onder de indruk. Ik ook: onder de nieuwe blonde lokken zag ik eindelijk waarom mijn huid niet als blank werd aangemerkt. De net niet bruine tint stak onnatuurlijk af tegen de Marilyn Monroe-look. Na een maand verscheen er een zwarte rand. Teleurgesteld dat die zo meedogenloos snel verscheen en omdat ik geen zin had om het elke keer bij te werken zette ik eigenhandig de schaar erin. Mijn moeder woest vanwege het verspilde geld. En iedereen, want het was nu juist zo prachtig: net een ‘echte’ Friezin. Maar dan wel eentje die in de zonnige buitenlucht was geroosterd en graag sambal bij de hutspot at.

Er volgde in mijn puberjaren een school-dropoutcarrière, compleet met blauwe hanenkam. Na een even blauwe maandag op een automonteurcursus voor dropouts, kwam er toch een studie Oosterse talen, waar ik al gauw merkte dat je daarmee een bullyverleden niet oplost. Het leven leerde mij dat anderen je wel vertellen wie jij hoort te zijn. De pesterijen hadden iets in mij in gang gezet dat verlangde naar tropische oorden waar ik – volgens mij- meer aansluiting zou vinden. Daar zou ik zeker niet worden uitgescholden worden voor zwartje en gewoon opgaan in de massa. Niet gemiddeld twee tot drie keer per week opmerkingen krijgen over mijn vermeende Turkse afkomst.
Mijn levensweg leidde naar Suriname. Daar zou ‘het’ vast gebeuren, een lotgenoot, met een medekoloniale afkomst. Vast en zeker nooit meer last van opmerkingen die laten zien hoe anders je bent. Maar toen ontdekte ik iets: ik ben een kameleon, maar dan eentje die niet zelf van kleur verandert. Bij het eerste ommetje ter kennismaking met de stad Paramaribo werd ik op straat begroet met de woorden “Dag boertje”. Hoe wisten ze nou dat ik van een dorp kwam? Mijn kostvrouw had zeker met de buren gesproken. Maar een opgeschoten knul riep van de overkant: “Ey, Sneeuwwitje”. Niet dat het mij niet was opgevallen dat de gemiddelde Surinamer toch echt veel donkerder van huidskleur was dan ik. Maar ik had toch iets van wederzijdse herkenning verwacht. Helaas, ze zagen door hun eigen kleurgewenning domweg niet het verschil tussen mij en de blanke rotkinderen die mij het leven hadden zuurgemaakt. Na jaren begon ik mijn uiterlijk weer gericht in de spiegel te bestuderen op ‘raciale’ kenmerken. Groene ogen, zwart haar, een lichtgetinte huid. En kort en gedrongen van stuk. Nooit anders geworden. Niet bepaald een typische belanda. Ik keek naar Surinamers die qua kleur op mij leken, zoals de van Hollandse boeren afstammende ‘boeroes’ (die overigens steevast ‘boeroe’ als bijnaam kregen). Wat was het verschil? Zij waren zelfs vaak blond. Ik, die altijd verkondigde dat etniciteit onbelangrijk was, voelde mij akelig op mijn teentjes getrapt. Hier kon geen Oost-Indische doofheid tegenop!

Het voelde of mij het recht ontnomen werd om ‘zwart’ te zijn zoals mij dat met veel pedis was ingepeperd. In de nieuwe context werd ik simpelweg en meedogenloos in de categorie ‘witte bakra’s’ geduwd, een rasechte belanda.  Een totok! Ik werd dus uitgemaakt voor degenen die mijn jeugd hadden verpest. De identiteit die ik met pijn en moeite, eigenlijk noodgedwongen had verdiend, werd botweg aan de kant geschoven. Niet gezien. Een heikele paradox: in Nederland een zwartje, in Suriname een witje. Ik berustte mij erin dat dit onontkoombaar was. Blijkbaar is je identiteit niet alleen wat jijzelf voelt en heeft iedereen het rechtom jou er eentje toe te bedelen. Soedah, laat maar.

Tot die dag waarop ik in een lokale krant die hemelse kappersadvertentie zag voor spiraalkrullen. Die zette mijn opstandige gevoelens van weleer in vuur en vlam. Een foto van een meisje met cilindervormige rollers, die haar haren langs een randje naar beneden lieten spiralen, met als resultaat een weelderige bos krullen die net niet kroesden alsof je een dougla was, een mengsel van Creool en Hindostaan. Ik moest denken aan de plagerijen van mijn tantes over mijn stugge donkere lokken:  “Ach toh, so mooi jouw Javaanse krullen.” De weelderige bos in de reclame was prachtig, net iets voor mij. Een perfecte camouflage: met mijn haarkleur en huidtint erbij zou ik gewoon doorgaan voor een lichtkleurige moksi, een mixje zoals er vele in Suriname rondlopen. Geen indo, geen bakra, maar iets ondefinieerbaars. Ideaal. Ik zag mij al wandelen als het toonbeeld van hoe onbenullig een ingrediënt als iemands afkomst is. Terwijl ik bij de kapper met genoegen de flappen neertelde die deze geniale grap mij zou kosten, gingen mijn gedachten naar de blondeeraffaire uit mijn tienerjaren. Wederom was ik een middagje zoet in de kapsalon. Mijn dikke haar had nog steeds geen trek in radicale veranderingen. Na uren chemicaliën laten inwerken op mijn eigenwijze haar, was ik kinderlijk opgewonden over het resultaat: een benijdenswaardige donkere bos douglakrullen. Bevrijd liep ik de deur uit. Ik herkende mijzelf niet eens! Opgelucht, op zwevende voeten, betrad ik verwachtingsvol met mijn nieuwe verworvenheid de straat. Een auto minderde vaart. Het raampje ging omlaag, een mannenhoofd stak eruit.´Hey lekkere dushi , con tabai! Waar woont je huis, in Aruba of Curaçao?’

 

Categories: Blog

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *