Van talige ongeneugten in de Indische en Surinaams-Javaanse keuken

Als mijn Indische moeder het ontdekte zou ze verontwaardigd  haar wenkbrauwen scheef trekken: ‘Lóóóh!’ Ik heb het namelijk gepresteerd om opgebakken rijst te serveren op mijn verjaardagszitje. ‘Nasi goreng bestaat uit kliekjes!’ ‘Ja maar mama, het is zo lekker!’ Ik zie haar nog zitten, met de cobek op haar schoot kruiden fijn wrijvend, mengomel-omel: smakelijk mopperen over voedselfratsen van zowel Indischen als belanda’s in Nederland. Zij zou nooit zeggen  ‘Indo’ of ‘Holland’, want dat is minachtend bedoeld. Van beledigen hield zij niet, en je feestgasten opgebakken restjes serveren vond zij culinair onterend. Repatriantenliedjes als Geef mij  maar nasi goreng  droegen haar afkeuring. Pas je aan, gezeur over voedsel, dan heb je de oorlog niet begrepen. Met perfectionistische hand toverde zij evengoed oer-Nederlandse, heerlijke aardappelschotels met rode kool en biefstuk-uitjes als ware het een selametan. Sambal bij de hutspot? Wah, Aanstellerij.

Helemaal de goreng kwijt

Dan had zij nog een tweede favoriete ergernis deze rijstschotel aangaande, die ons gezelligheid bezorgde: waarom nasi zonder goreng? ‘Nasi’ is witte rijst. Gekookt. Als je in Indonesië om nasi vraagt, krijg je nasi putih, witte gekookte rijst voorgeschoteld. Niet de gekruide bruine versie die je mogelijk al likkebaardend in gedachten had. Witte rijst, beroemd van de jaren 50 Indorockband the Blue Diamonds: Tuti fruti, nasi putih (rijst met fruit uit blik, dát vind ík nou een rare schotel om op te dienen)
Goreng
 is in het Maleis/Bahasa Indonesia ‘gebakken’. Als je rijst kookt, eet, en de volgende dag nog een restje over hebt, bak je die op met ui, knoflook, restjes vlees en groente en zo meer. Scheut ketjap erdoor, soedah klaar: gebakken rijst.
Nasi is geen Javaans woord; sega is Javaans voor witte rijst, maar in Suriname serveren de meeste warungs ‘nasi’, zonder goreng (maar wel vaak mét een e: nasie). Een enkele keer prijkt op een taalbewuste menulijst het gerecht in zijn volle glorie: ‘nasi goreng’. In het Surinaams-Javaans/Nederlands woordenboek van Hein Vruggink staat er achter ‘nasi’ BI: Bahasa Indonesia, de nationale taal van Indonesië. Hij rekent dus ‘nasi’ als ingeburgerd leenwoord tot de Surinaams-Javaanse woordenschat, maar in het Javaans is het ongeleend sega goreng. Zo ook volgens ‘Albada en Pigeaud’, een soort  Dikke VanDale voor het Javaans. Nasi komt daar helemaal niet in voor. De complete benaming ‘nasi goreng’ staat wel in de Nederlandse VanDale, maar dan als afkomstig uit het Maleis, dat sinds de Indonesische onafhankelijkheid officieel Bahasa Indonesia heet.
Het is mij al eerder opgevallen hoeveel Indonesische woorden er in het Surinaams-Javaans zitten. De beide talen hebben behalve de woordvolgorde verder bepaald niet veel van elkaar. Ze spelen wat de woordenschat betreft wel aardig leentjebuur. Pas toen ik aan mijn universitaire studie Indonesisch begon, ontdekte hoe mijn eigen huis-tuin-en vooral keuken-kennis van de taal een vrolijke vocabulaire mengelmoes was. Ontwar die maar eens als je dat al gewend bent. Dat geldt ook voor Surinaamse Javanen natuurlijk. Bovendien, waarom zou je ook in je dagelijkse omgeving?
Misschien was het in Indonesië al de gewoonte om als warung ‘nasi goreng’ op de menulijst te schrijven, omdat het Maleis er al eeuwen een lingua franca is. In werken over de Surinaamse taalgeschiedenis wordt melding gemaakt van Maleis als gesproken taal aan de Waterkant (Gobardhan citeert hierover in haar proefschrift van 2001 een zekere Schoch 1903: 109).

Lepel of vork?

In Nederland wordt het dus als feestelijk ervaren om Indische rijstkliekjes te eten; op Surinaamse feesten is dat welhaast een must. Surinaamse restaurants verwerken de nasi op hun menu zonder goreng, met andere adjectieven, ditmaal  vóór het zelfstandig naamwoord: Chinese nasi, Javaanse nasi, witte nasi (gebakken en geen nasi putih), en, tot overmaat van taalramp: ‘bruine nasi’.  Sorry, als taalwetenschapper mag ik dat niet zeggen, maar ik kan het niet helpen, tis mijn dna. Maar in de keuken maken ze het ruimschoots goed.
Terug naar mijn moeders keuken. Daar waar het Nederlands overgaat in Pecoh, en Pecoh in Maleis, en ik mijn eerste nasi goreng opschepte. Altéit soo hesellich dese! Als ik haar mijn culinaire delict zou opbiechten zou ze zeggen: ‘Aduh, wat ben je toch een totok!’ Net als die keer dat ik de rasp op de schil van een muskaatnoot zette. Gelukkig maakt ze niet meer mee dat ik beïnvloed door Spaanse gewoonten – olé,niet  morsen! – weleens rijst eet met een vork. ‘Echte’ Indo’s doen dat met een lepel, en Surinamers ook. Bij Indo’s een ernstige kwestie van identiteit, in Suriname mogelijk gewoon  ‘raar’ als je je rijst met een vork te lijf gaat. ‘Ja ma, dan had je mij maar in de tropen moeten grootbrengen. Dan was ik een feestelijke ‘bruine nasi’ geworden. Echt Surinaams-Nederlands.’

Selamat makan! (gelieve rekening te houden: de prijzen op de bijgaande menulijst zijn inmiddels aangepast)

Welmoed

 

Ik weet niet als het correct Nederlands is, maar…


Sommige ‘surinamismen’ zijn zo boomrijp, dat ik ze het liefst meteen zou plukken en verstouwen. Ware het niet dat de – ook in Suriname – erkende taalbronnen van het Algemeen Nederlands (AN) en de gebruikers ervan het barbaars zouden vinden, aangezien verwijzingen als anglicisme, germanisme en dus ook surinamisme onder de noemer ‘barbarisme’ vallen: een ongehoorde binnendringer. Als ik als eindredacteur het lezerspubliek deze vrucht schaamteloos zou voorschotelen, zou de verontwaardiging niet voor de poes zijn. Ik trap dan liever op de sociaal-professionele rem. Maar als taalkundige nodig ik u uit om deze roodborstige manya plukken. Want hij is te lekker en valt straks toch wel op de Surinaamse bodem die de boom van het Surinaams-Nederlands voedt. Daar, waar meerdere,met name lexicale, soms grammaticale Surinaamse vruchten liggen, die karakter geven  aan  het Surinaams-Nederlands.

Een scriptie-onderzoek van een studente (Boldewijn, 2012) aan de Surinaamse lerarenopleiding Nederlands bevestigde wat wij in de wandelgangen al wisten: negentig procent van onze bevolking zegt ‘als’ in zinsconstructies die volgens de normerende grammatica’s het onderschikkende voegwoord ‘of’ vereisen. De overige tien procent heeft doorgaans achteraf pas de boekenregel geleerd. De meerderheid van de leerkrachten trekt in proefwerken een rode streep onder dit ‘of’, zonder er punten voor af te trekken. Als docent academisch schrijven, plaats ik er een opmerking bij: ‘Pas op, mondeling Surinaams-Nederlands. Mag van mij, maar niet van elke docent of redacteur.’ De laatste paar jaren plaats ik die opmerking opvallend vaak. Misschien tijd om ermee te stoppen, maar ik kan de formele taalgrenzen niet in mijn eentje bepalen. In kranten verschijnt het verboden ‘of’ steeds vaker: een ‘slip of de pen’ van de journalist? Of gewoon niet gezien door de eindredactie? In directe citaten blijft hij gewoon staan, zoals in een stuk van de Ware Tijd 14/04/2019, over het Hof van Justitie: “Kalm en zonder emoties probeerde zij elke vraag zo eenvoudig mogelijk toe te lichten. Als het nu ging om gerechtelijke procedures […] of volgens het recht geoorloofde ‘foefjes’.”
Een descriptieve bron als de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) vermeldt de Surinaamse versie niet als mogelijkheid. Een speurtochtje op de website van deze ‘moeder der Nederlandse grammatica’s’ leidt via ‘Onderschikkende voegwoorden’ naar de subparagraaf ‘Dat en of in zekerheid respectievelijk onzekerheid uitdrukkende zinnen’. Zoals de titel voorspelt (Dat en of) schittert de Surinaamse zinsconstructie met ‘of’ door afwezigheid. Op een andere pagina in de online ANS gloort hoop: er loopt een herzieningsproject van 2015 tot 2019. Wie weet is er ruimte voor Surinaamse taalvariatie en registreert ‘ANS tolerans’ ons onderschikkende ‘of’ nog dit jaar als ‘door Surinaamse sprekers aanvaard Nederlands’. Dan is er een kansje dat onze taalbepalers die visie overnemen. Misschien vinden zij de omschrijving van deze vrucht aantrekkelijk genoeg om haar in hun mandje met taalnormen toe te laten. Eet smakelijk, maar knoei er niet mee!