De Fries Hellinga en het Surinaams-Nederlands: taalemancipatie in de jaren 50

 

Geen volk dat minder op Surinamers lijkt. Koppige blonde reuzen, met een gesloten mentaliteit van ‘doe maar gewoon dan ben je al gek genoeg’.  Wat zochten die nou bij Surinamers die voor hun studieheil aan de Noordzee vertoefden? Toch hadden zij in de jaren 50 een korte, stevige verkering om iets dat zij gemeen hadden: een taalbeweging.

Degene die beide partijen in hun omhelzing dreef was vermoedelijk de neerlandicus Wytze Hellinga, die toen met zijn Vlaamse collega Willem Pée een onderzoek leidde naar problemen rond het Nederlands als instructietaal in Suriname. Deze Fries, zoon van een kinderboekenschrijfster, had een welwillend oor voor de Srananpoëzie. Naast het Nederlands bestudeerde hij het Fries. De eerste vertalingen van Sranangedichten in Nederland werden aannemelijk op zijn voorspraak maar op initiatief van de Nederlandse taalkundige en Sranankenner Jan  Voorhoeve,  in 1952 gepubliceerd in het Friese literair blad De Tsjerne. Daarin prijken tussen het, inmiddels archaïsch aandoende, Fries de namen van klinkende Sranandichters en Surinaamse nationalisten van het eerste uur, zoals Eddy Bruma, Trefossa en Hein Eersel, die colleges volgde bij Hellinga aan de Amsterdamse universiteit. In die tijd werd de culturele emancipatiebeweging Wie Eegie Sanie (WES) opgericht. Bruma werd door de Nederlandse autoriteiten gezien als communist, en Voorhoeve, die contacten had met WES, werd ervan  beschuldigd een  crypto-communist te zijn. Voorhoeve zou ook de motor zijn  achter de Friese vertalingen van de Surinaamse gedichten. De beide taalkundigen, professor Hellinga en Voorhoeve, hielden er meningen over taalpolitiek en onderwijs op na, die als ´afwijkend´ golden.

Zuiver Fries

De jaren 50 van de vorige eeuw: het was de tijd waarin de Friezen demonstreerden voor de officiële erkenning van hun taal, met als hoogtepunt: Kneppelfreed – ‘Knuppelvrijdag’. Mijn tante van Friese zijde zat er nog een  dagje voor in de bak. Gearresteerd, met nog een aantal, op die heftige vrijdag van 16 november 1951 waarop de politie tegen de Friese taaldemonstranten te keer ging. In Suriname bleven taalstrijders buiten bereik van politie en gevang, maar gingen wel de politiek in. Toch hadden de beide gebieden met elkaar gemeen dat er na de Tweede Wereldoorlog bewegingen ontstonden die zich afzetten tegen ‘Hollandse’ overheersing, waarbij de taal een prominente rol speelde.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan: mijn vader was juridisch adviseur van de Friese taalbeweging, mijn Indische moeder maakte zich via cursussen het standaardfries eigen. Een geef Frysk zoals menig klaaiboer of wâldpyk (kleiboer of ‘woudkuiken’) het niet zou spreken. En dan verontwaardigd: ‘Nu vragen ze mij: ferstiet mefrau it wol?’ ‘Maar mamma, je lijkt niet bepaald op zo’n viking-Fries.’ Ikzelf ook niet – hoewel toch iets meer – maar om sociale uitsluiting te voorkomen verving ik doelbewust woorden als touter en reedride door verfrieste Hollandse indringers als skommel en skaatsen als ik onder leeftijdsgenootjes met ‘normale’ouders verkeerde. Ik denk niet dat familieleden op díe vaardigheid doelden als ze mij weleens prezen om mijn vlotte meertaligheid.

Hellinga: Surinaams-Nederlands plek geven in onderwijs

De Friese hoogleraar Hellinga, toen verbonden aan de Amsterdamse universiteit, lanceerde een lastige knuppel in het Surinaamse politieke hoenderhok. Die knuppel was al klaargelegd door de Surinamers zelf, die er ook mee begonnen te zwaaien: het Surinaams onderwijs moet aandacht besteden aan het eigene. Hellinga’s aanbeveling in zijn rapport van 1955 om het Surinaams-Nederlands een plek te geven in het onderwijs, viel niet in goede aarde bij de elite die het beleid bepaalde. Beleidsmakers hielden stevig vast aan het Algemeen – toen nog formeel genoemd ‘Beschaafd’- Nederlands. Onderwijsministers als Lou Lichtveld en Hein Eersel, die het Surinaams-Nederlands wel expliciet erkenden, lukte het vooralsnog niet om het streven naar ABN te doorbreken. Albert Helman (ps Lou Lichtveld) vertaalde in 1954 Green Pastures, een toneelstuk van de Amerikaanse schrijver Marc Connelly naar het Surinaams-Nederlands. Nederlandse taalkundigen als Eva Essed-Fruin, later directrice van de Surinaamse lerarenopleiding, en de Nederlandse schrijver J.J.Voskuil schreven in de jaren 50 binnen het onderzoeksproject geleid door Hellinga, hun proefschriften over het Nederlands in Suriname.

Doordat Hellinga’s rapport niet in goede aarde viel bij de ABN-minnende elite liep de samenwerking ten einde. Dat ook het contact met de Srananbeweging verwaterde, heeft vermoedelijk deels te maken met het feit dat invloedrijke hoofdrolspelers in de loop der jaren meer op het politieke strijdtoneel bezig waren, en uiteindelijk er niet meer zouden zijn. Op een gegeven moment waren de hoofdrolspelers verdwenen, en nog niet vervangen door die van een gelijk kaliber met dezelfde gedrevenheid. In de Parbode van januari 2019 schreef ik er nog een artikel over, met een kort interview met de eminentie onder de Surinaamse taalkundigen, dr. Hein Eersel. Die noemde het contact tussen de emancipatiebeweging van de Friezen en de Surinamers ‘kort, maar vruchtbaar’.

Puzzelstukjes

‘Halfslachtigen’ die naar hun roots graven, wroeten daarvoor vreemd genoeg nooit in de klei van kikkerland. Het tropische gras van verre buren is natuurlijk altijd groener. Dus ik liet gewillig de Javaanse en Maleise vertalers aan moeders zijde tot mijn verbeelding spreken en koos een studie oosterse talen. ‘Syukur – godzijdank – in de voetsporen van je voorvaderen!’ Ze trok een lange neus naar de blonde, inmiddels niet meer schoonfamilie die er prat opging dat ik talen studeerde omdat ik zo op mijn vader zou lijken.
Nu, op een afstandje, zie ik de puzzelstukjes op hun plek vallen: het Fries gezusterlijk naast het Indonesisch, en dat weer naast de taal die ik nooit had willen studeren maar die nu mijn onderzoeksonderwerp is: het Nederlands, maar wel in de Surinaamse variant. Een vruchtbaar gegraaf in een taal die uit de Nederlandse bodem is getrokken, maar toch wortelschoot in Suriname. Eigen schuld, dikke bult: had ik maar geen creolistiek als bijstudie moeten nemen.

De groetenis fan Welmoed